Kernactie 3

Ik streef naar een evenwicht tussen niet te veel ‘de zeur’ uithangen, en toch gedaan krijgen wat moet gedaan worden

NadiaCoördinator KA3-project GOAL

Nadia Reynders is beleidsmedewerker voor volwasseneneducatie op het department Onderwijs en Vorming en ook projectcoördinator van het Erasmus+ KA3-project GOAL, Guidance and Orientation for Adult Learners. Voor ze aan haar huidige job begon, had ze al heel wat ervaring opgedaan als projectleider in het buitenland. Uit die ervaring put ze nu volop in het GOAL-project.

Welke projecten heb je hiervoor geleid?

Nadia Reynders: Mijn eerste project was een onderwijsproject voor VVOB, de Vlaamse Vereniging voor Ontwikkelingswerk. Dat was van 2007 tot 2010, in Cambodja. Daar heb ik veel geleerd, ondermeer om met weerstand bij mensen en organisaties om te gaan. Want de projecten van het VVOB hebben altijd het doel om verandering teweeg te brengen, en dat is niet altijd gemakkelijk. Dus daar was ik eigenlijk vooral bezig met veranderingsmanagement, ervoor zorgen dat de veranderingen doorgaan, maar toch ook mensen zover brengen dat ze inzien dat  die veranderingen ook in hun eigen kraam passen. Dat project in Cambodja was, net zoals het GOAL-project een project op macro-niveau, niet op schoolniveau. We zaten dus echt samen met het ministerie van Onderwijs van daar. We voerden ook, zoals in GOAL nu, beleidsexperimenten uit. In de praktijk was het een combinatie tussen mensen en organisaties inhoudelijk aansturen en begeleiden en tegelijkertijd het projectmatige management doen, zoals de timing in de gaten houden, mensen achter hun veren zitten om te doen wat ze moeten doen,  enzovoort.

Na het project in Cambodja volgde ik, vanuit Brussel, de projecten van Plan International op in Laos, Cambodja en Vietnam.

Deze ervaring kon je goed gebruiken als coördinator van het GOAL-project?

Inderdaad. Ook hier moet ik vaak mensen achter hun veren zitten (lacht), zorgen dat ze hun projectresultaten op tijd inleveren, motiveren, enzovoort. En dat is altijd wat zoeken. Ik probeer te streven naar een evenwicht tussen niet te veel ‘de zeur’  uithangen, en toch gedaan krijgen wat moet gedaan worden.  En dat gaat inderdaad alsmaar beter naarmate je daar meer ervaring in krijgt.

Ik coördineer niet alleen het internationale luik van het project, ook het Vlaamse luik neem ik voor mijn rekening. Ook daar is het vaak zoeken  naar een evenwicht. Voor het project moeten ze in hun dagelijks werk wel wat aanpassingen doen want met GOAL willen we juist werken aan ‘change’.  Naast hun hoofdopdracht als trajectbegeleiders voor werkzoekenden moeten ze ook waardevolle input verzamelen voor het project. Soms is dat heel belastend, maar we hebben nu echt wel een goede oplossing gevonden. De beide Vlaamse partners voerden aanpassingen uit aan hun dataregistratiesysteem. Ze gebruiken nu beiden hetzelfde systeem. Dat maakt het gemakkelijker om systematisch de nodige gegevens te verzamelen die we nodig hebben voor GOAL. Maar het komt ook hun eigen dienstverlening ten goede.  Zo is een het echte win-winsituatie geworden.

Waar haal jij het meeste voldoening uit als projectcoördinator?

Vooral de samenwerking met heel veel verschillende partners toch. Op het departement hameren we wel op samenwerking met het veld maar toch sta je soms, als beleidsondersteuner, er redelijk ver vanaf. En àls je er dan mee te maken krijgt, is het vaak omdat er problemen zijn die het beleid moet aanpakken.  Het heel positieve aan dit project is dat we met gemotiveerde teams op het veld kunnen samenwerken om dingen echt te veranderen.  Ook het internationale aspect spreekt mij heel erg aan. Ik heb altijd in een internationale context gewerkt en dat begon ik wel te missen.  Ook het uitwisselingsaspect bevalt me erg. Je ziet en ervaart hoe andere landen het aanpakken.  En dan kan je vanuit die verschillende systemen gaan kijken wat we binnen het project kunnen verwezenlijken, maar ook hoe dat de hele volwasseneneducatie ten goede kan komen.

Toen je op het departement kwam was het niet om aan dit soort projecten te kunnen werken?

Neen, eigenlijk heb ik deze kans gegrepen.  Het is allemaal een beetje vanzelf gegaan. Toen we besloten om dit project te schrijven - samen met mijn collega Liesbet Vermandere en met de input van de lokale en internationale partners - kwam dat allemaal wel boven op mijn gewone werk. Het heeft me dus wel wat avonden en weekendwerk gekost. Maar naarmate ik daar dan langer mee bezig was, en de grote inhoudelijke relevantie van het project duidelijk werd, begon het te kriebelen om het project zelf te gaan coördineren.  En toen heb ik er me gewoon ingeschreven als coördinator. Zodoende… (lacht).

Kan je ook al iets vertellen over je frustraties? Of loopt alles op wieltjes?...

Het moeilijkste vind ik dat je niet dagelijks kunt opvolgen in hoeverre de partnerlanden met het project bezig zijn.  Ik vind dat soms heel moeilijk om in te schatten. Met die onzekerheid omgaan, vind ik niet gemakkelijk. Het maakt het wel boeiend maar ik vind het toch vooral spannend.

Hoe schat je dat nu in? Denk je dat de partners allemaal goed bezig zijn?

Niet allemaal in dezelfde mate. Er zijn een aantal landen bij waarbij je echt op je twee oren kan slapen. Dat weet ik want ze stellen bijvoorbeeld regelmatig relevante vragen waarvan ik denk: “Hé, dat had ik zelf zo nog niet bekeken.”  Dus dan weet je dat het goed zit  Maar dat is niet zo bij alle landen. Soms is dat ook buiten de wil van de projectmedewerkers in dat land. Vaak heeft het te maken met organisatorische moeilijkheden in hun organisatie, bijvoorbeeld een late aanwerving of de communicatie die stroef verloopt. Als je weet waar het aan ligt, kan je er ook begrip voor opbrengen. Tot nu toe is er nog geen conflict geweest. Maar als dat er dreigt aan te komen, grijp ik meestal heel snel naar de telefoon om de dingen uit te praten. Ook dat leerde ik uit vorige projecten. Wat de dingen ook altijd heel erg vooruit helpt zijn de face-to-face vergaderingen. We vergaderen dan 2 dagen fulltime gekoppeld aan nog wat veldbezoeken.  Uit die informele momenten kan je ook wel heel veel uithalen.  We vergaderen ook regelmatig met Skype… Dat lukt goed, maar het is niet iets om elke week te doen. Het werkt wel heel goed om heel praktische zaken uit te klaren. Door een combinatie van al deze dingen houd je toch min of meer de vinger aan de pols. Want dat een partner zou afhaken omdat je een probleem niet op tijd opgemerkt heb, is een van de grootste risicofactoren. Dat zou ik wel het ergste vinden wat er kan gebeuren, want je wil toch graag iedereen aan boord houden. Daarom is het een kwestie om zo snel mogelijk signalen op te vangen en daarop in te spelen.

Wat heb je in handen als er echt problemen zouden komen met een partnerland?

We hebben natuurlijk goede samenwerkingsakkoorden met de partners. Daarin staat dat ze zelf verantwoordelijk zijn voor hun resultaten. Wij zijn financieel niet verantwoordelijk voor andere landen. In de overeenkomst met de Commissie staat  dat als de resultaten van een bepaald land niet voldoen, dat het betrokken land dan de gevolgen moet dragen. Als op een bepaald moment zou blijken dat een partner niet goed functioneert en we al herhaaldelijke pogingen hebben gedaan om dat recht te trekken, kunnen we ook samen met de Commissie naar een goede oplossing zoeken.  

 

 

 

Meer praktijkverhalen